Joost Meuwissen, ‘Eindhoven wereldstad’, VIII jaar AGT. Projectwerk 1980 1988. Een uitgave van de sectie Architectuurgeschiedenis en –theorie. Edited by Paul Draaijer, Herman Kerkdijk, Helena Koning, Arthur Wortmann, Gerard van Zeijl (Eindhoven: Vakgroep BAU, Technische Universiteit Eindhoven, 1988), 38-42.
[38]
Eindhoven wereldstad
Joost Meuwissen
Het projectwerk in Groep VIII of ‘Eindhoven’ (als begrip in de architectuur van vandaag) vormt een bij uitstek discursieve architectonische cultuur waarbij de argumenten niet buiten de produkten om worden geformuleerd. als hun rechtvaardiging, begeleiding of kritiek, maar waarin de voortbrengsels zèlf betooglijk en kritisch zijn en waarin de architecturen argumenteren en een omgeving van intellectuele conversatie. zoniet wetenschappelijk debat bewerkstelligen. Het effect zou een actuele hypothese over de relatie van begrip, beeld, vorm, vertelling en geschiedenis in de architectuur kunnen zijn. Waar een begrip historische evenementen als het ware omvat, zou het gebruik van zo'n begrip gericht kunnen zijn op een ontketening van feiten. In zekere zin vergt een dergelijke benadering dan een bijzondere tijdscategorie die eigen zou zijn aan de architectuur, haar traagheid en volharding. De kenmerken zijn:
1) een eenvoudige. zelfs soms wat barse beeldvorming, waarop mijn onderwijs vooral is toegesneden;
2) een nogal ingewikkeld en uitgebreid want weinig uitsluitend conceptueel kader, dat van het architectonische corpus zelf;
3) de vertelling, niet van een heel verhaal maar eigenlijk alleen van het midden van een verhaal, van een narrativiteit als zodanig.
Met dit theoretische uitgangspunt is tevens een didactische werkwijze geschetst. Ik neem scriptie of ontwerptekening ernstig als argument. Vandaar heb ik zelfs een zekere voorliefde voor de wat dommere scriptie of het onwaarschijnlijke of leegste ontwerp, omdat de kans dat hiermee een nieuw argument te berde wordt gebracht groter is. Toch is de didactiek niet gericht op een creativiteit van opborrelende denkbeelden. Ze is niet een ontsluiting van het onbewuste maar van het bewuste zelf, namelijk van het corpus van de architectuur en zijn verbreding. Je zou het kunnen noemen de brede toepassing van architectonische concepten. Die mogen in deze toepassing misschien wat minder gedefinieerd zijn en wat vager overkomen dan in de formalistische doctrines waaruit ze voortkomen zal zijn getolereerd: ze krijgen daarin een werkzaamheid en een productiviteit die ze voordien misschien niet hadden. Ze komen op een onwaarschijnlijk vlak terecht. het niveau van het schema, van hun programma, van het vignet, het enkelvoudige beeld, de conceptuele schets, zoals de verschijning van de ordes in de ordenboeken of van het type in de handboeken. maar uit hun reeks gehaald en op hun enkelvoudige strekking beproefd. Het is een werkzaamheid en een productiviteit waar ze al die jaren op hadden gewacht. Het gaat dan om bestaande begrippen en hun onverwachte werking als architectuur.
Aanvankelijk is mijn didactiek beperkt gebleven tot een Lacaniaanse interpunctie van de tekst of van de tekening als tekst. Deze werkwijze is zeker vruchtbaar maar omslachtig en tijdrovend. Het was ook een typisch Delfts
[39]
idee; als een zo empirisch mogelijke analyse maar zo lang mogelijk duurt dan komt er wel iets uit. De psychoanalyse van Lacan bood een mogelijkheid tot een activerende en toch begripsloze interpretatie van architecturen. Die werden dan niet op hun betekenis onderzocht maar op hun gebrek aan betekenis, op hun betekenisloze elementen. Het ging dan ook niet om het spreken van tekst of tekening want als ze al spreken, spreken ze niet bepaald tot mij. Het ging slechts om die elementen op grond waarvan tekst of tekening leken te spreken, maar die zelf weinig leken te zeggen. Op deze manier werden dan zowel structurele relaties blootgelegd als eigenlijke leegtes vastgesteld. Een structurele relatie kon zo ook in de architectuur als leegte worden genoteerd. En eigenlijk was het ook leegte, tenminste in de architectuur zou ze dit kunnen zijn als hypothese, een structurele relatie te zijn. Dit was doorslaggevend. De centrale categorie in de psychoanalytische interpretatie, Freuds overdeterminering, laat dit mijns inziens ook toe. Ze duidt aan dat een gegeven element, woord, vertelde droom of tekening ook in detail steeds door meerdere factoren wordt bepaald. Ze zijn als het ware altijd overbepaald. In de architectuur kan deze overbepaling tendentieel als een formalisering gelden en zo gebonden worden aan het vraagstuk van architectonische kennis die zo, in eerste instantie, wel begripsloos maar niettemin formeel wordt bepaald. Het is in overeenstemming met de psychoanalytische interpretatie die op dit vlak juist de herhaling. zij het als dwanghandeling opspoorde. Nu kan in zekere zin ieder enigermate geformaliseerd concept, los van zijn inhoud maar in zijn gebruik, als een herhaling en formalisering en tevens als dwanghandeling worden beschouwd. De architectuur nu zou de mogelijkheid bieden, in haar handboeken, deze dwanghandeling niet als de pathologie van een individu (bijvoorbeeld de student die een tekening heeft gemaakt) maar als het behoud van de architectuur zelf, als haar overlevering te zien. Het feit dat in deze benadering betekenisvorming en begripsvorming zijn uitgesloten maakt de traditie van de architectuur niet tot een last maar uiteindelijk tot een keuze. Zo wordt het rationalisme van de architectonische handboeken ook door Giorgio Grassi beargumenteerd. Dit vraagstuk werd op theoretisch vlak aangesneden in het project Het rationalisme in de architectuur volgens G. Grassi en de ambachtelijkheid van het ontwerpen bij Heinrich Tessenow, in het voorjaarssemester 1980/1981. Het leidde ertoe dat de formalisering van het handboek werd veralgemeend tot architectonische situatie tout court. Alsof het handboek, als formalisering, de enige manier was waarop architectuur zou kunnen worden voortgebracht. Zo werd elke situatie tendentieel tot handboek verheven. De stad werd handboek. De eigenlijke vormgeving werd, via de ornamenttheorie van Tessenow, in dialectiek hiermee gezien als ‘het domme’, als een afwezigheid van formalisering, eveneens als betekenisloos. Er was, bij wijze van spreken, op een Borgesiaanse verzamelwijze, wel voor iedere tekening, als ze eenmaal was gemaakt, een bijpassend handboek te verzinnen. Het was de constructie van dit handboek, niet van tekening of zelfs bouwwerk zelf, die als discursief vlak in mijn onderwijs gold waarbij de argumentatie ervan zowel in
[40]
de tekening aanwezig kon zijn als louter erbuiten geformuleerd, als haar lijst of foedraal. Het wil zeggen dat Grassi's normatieve keuze zich in mijn didactiek niet a priori uitstrekt tot de tekening die een student zou maken. Veeleer, omdat zo'n rationalistische keuze al nooit volledig zou kunnen zijn en als ze dit was absurd zou zijn, legde mijn didactiek de nadruk op de meerdere of mindere afstand tot een meer of minder absurd handboek. En het is niet te zeggen welke afstand en welke graad van gewoonheid het grootste leereffect zou hebben. Omdat zelfs de nietszeggendste tekening tot architectuur met grote A wordt verheven, hangt het verder van de student af of hij of zij zich erin thuisvoelt, zich thuisvoelt in de wereld van de tekening of tekst die nu eenmaal is gemaakt. Het project Architectuur en misdaad volgde deze didactiek wel erg nadrukkelijk. in het najaarssemester 1981/1982. Het thema is ontleend aan Adolf Loos en loopt vrijwel parallel aan Tessenows ornamenttheorie, zij het moreler. De opgaven kunnen worden omschreven als ‘tekeningen uit een handboek die op zoek gaan naar een ander handboek’. Dit was zeker een te moeilijk probleem voor de studenten. Bij de opgave ‘Ontwerp een Hollandse orde’ gaf ik enkele Franse ordenboeken ten voorbeeld en vroeg of in plaats van voluten, klompjes konden worden getekend, in plaats van acanthusbladeren misschien tulpen en fluitekruid konden worden gebruikt. De studenten ontwierpen echter een dode boom van beton, een pannenkoekenhuisje in de stijl van Viollet-le-Duc en een Russisch-orthodoxe kerkgevel die meer tot het oeuvre van Chagall zou horen dan tot het Franse ordenboek. Het tekenen van een enkele zuil met kapiteel was veel moeilijker dan het ontwerpen van een heel gebouw. Dit was ook het geval in de opgave ‘Ontwerp een wachtkamer zonder dat je weet waarop je wacht’. Naast de wachtkamer werd bijna steeds een spreekkamer getekend en gangen en zelfs balkons. Ook de opgave ‘Ontwerp de rood-blauwe stoel van Rietveld’ leidde steeds tot verbeterde versies van die stoel maar nooit tot die stoel zelf. Het bleek niet goed mogelijk te zijn een bestaand handboek (het ordenboek, het typologische boek, het oeuvre van Rietveld) als kader voor een ontwerp te gebruiken en het bleek ook niet goed mogelijk dat de zoektocht naar een ‘beter’ handboek, de graad van formalisering ervan of zelfs maar die richting, in de tekening een rol speelde behalve als mogelijke uitbreiding van de eigen inhoud tot het eventuele handboek van pannenkoekenhuisjes in de stijl van Viollet-Ie-Duc of het eventuele handboek van verbeterde versies van Rietveld-stoelen. In de conversatie werd dit vraagstuk dan ook allengs duidelijker. Hoewel de Loosiaanse ornamenttheorie juist om zijn morele kanten in de didactiek van dit project betrokken was en het handboek in zekere zin een ontsnapping betekende uit het rijk van de misdaad, omdat het juist erin ging om de meer ornamentele of interieurachtige architectonische aspecten van een bouwwerk, bleef het bouwwerk de overheersende referent voor ieder ontwerp. De tekening moest een bouwwerk voorstellen, anders leek ze de studenten bijkans zinloos. Uit het hele bouwwerk kon het fragment worden afgeleid. Het fragment kon niet worden afgeleid uit zijn eigen fragmentaire presentatie in de handboeken, noch exclusief op die presentatie gericht zijn. Omdat ik
[41]
ertegenover in de conversatie steeds wel de min of meer problematische aanwezigheid van handboeken aan de orde bleef stellen, in termen die de representatie van de architectonische tekeningen, zoals boven weergegeven, eigenlijk al niet meer als probleem zag, is het aannemelijk waarom mijn onderwijs (en dit geldt misschien voor een groter deel van het eindhovense onderwijs) eigenlijk niet de meer internationale ontwikkeling heeft gevolgd in de richting van architecturen die, op welke wijze ook gepresenteerd, in tekening, maquette of in hout en steen, steeds met hun eigen verschijning samenvallen en daarin intensief zijn. Wat John Hejduk noemt hoge-drukarchitectuur waarin de ruimte juist de hoogste dichtheid wordt toegekend, of in de tekeningen van Daniel libeskind die elke representatie van een cartesiaanse ruimte teniet doen en hun invloed als architectuurstijl in de Cooper Union, de AA of de Staedelschule. Of de opgaven zoals Robert Stern ze gaf: “Ontwerp een huis voor je vader die je haat”, waarin de niet-representatie of hoge druk psychologisch werd voorbereid.
Dat Eindhovense ontwerpen en meer in het algemeen Nederlandse ontwerpen thans niet echt aansluiten bij deze internationale ontwikkeling, komt omdat wij het probleem van de voorstellingswijze of van de uitdrukking hebben willen stellen, niet op het laat ik zeggen parlante niveau van de architectuur (de verschijningsvorm en zijn waarneming), maar op het discursieve vlak. En het is logisch dat als we op het vlak van de betooglijkheid van architectuur komen tot bepaalde formaliseringen die behoren tot een niet-representerend denken (een denken dat juist hierdoor ook problematiserend kan zijn), dat op het parlante vlak, dat van de uitdrukking of zelfs communicabiliteit van tekeningen, bouwwerken en spreekwijzen de gelegenheid wordt geboden voor het maken van het eenvoudige en overtuigende beeld. En hoewel zulke beelden in hun eenvoud wel kunnen lijken op sommige gestripte vormen van het modernisme hebben ze daar dus weinig mee van doen.