Blog posts   << Previous post | Next post >>
Arduino Cantafora, Bagnata di liquide gocci, 1986.
© Arduino Cantafora.
Arduino Cantafora, studio per il quadro esposto alla XV Triennale di Milano, 1973, incisione.
© Architettura razionale. XV Triennale di Milano - Sezione Internationale di Architettura. Edited by Aldo Rossi (Milan: Franco Angeli Editore, 1973), 14-15.
Arduino Cantafora, Di lode piu degno e d'amore.
© Nijmeegs Museum Commanderie van Sint Jan.

Post

Posted 16 May 1987

Joost Meuwissen, Inleiding gehouden bij de opening van de tentoonstelling Beelden uit Berlijn van Arduino Cantàfora op 16 mei 1987 in het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint Jan.

Inleiding

Joost Meuwissen

Excellentie, dames en heren, ik wil, als architectuurkriticus, het werk van Arduino Cantàfora hier van enkele misschien wat prozaïsche, of zelfs wat formalistische en technische, in ieder geval wat specialistische opmerkingen vergezeld doen gaan, over slechts enkele aspecten ervan, die niet zozeer gaan over de inhoud van zijn beelden, de sfeer van zijn schilderijen, de verbinding ervan met het werk van De Chirico of Sironi, of zelfs maar op het concept van de analoge stad dat er zeker mede door geformuleerd is geworden - ik refereer bij dit laatste aan de tekening, het eerste werk van Cantàfora dat ik ooit zag, in 1973, in het boekje van de Milanese Triennale van dat jaar, het boekje Architettura razionale (Rationele architectuur), een tekening die indruk maakte niet alleen omdat hier, in een geweldige breedte van perspectief, zeer verschillende gebouwen en architecturen waren verenigd op een leeg grondstuk, gebouwen van Boullée, Adolf Loos, Peter Behrens, Aldo Rossi, en ook het Romeinse Pantheon, en ook anonieme moderne flats, en hiermee zoiets noteerden als de stad 'van' de architectuur of de architectuur als herinnering aan verschillende bouwwerken, de architectuur 'als stad' - en deze tekening gaat vooraf aan de latere collage van de analoge stad, waarin dit beeld tot begrip werd ontwikkeld, de bekende collage ervan, gemaakt in het atelier van Aldo Rossi en die veel bekender is geworden dan de tekening, of het eendere olieverfschilderij, van Cantàfora. Maar wat het meeste indruk maakte, op mij, bij deze tekening, vond ik toen de constructie ervan, een enorm centraalperspectief (met de Segratefontein van Aldo Rossi, met het driehoekje, in het midden), een perspectief waarvan het systeem in de tekening eigenlijk beperkt bleef tot het midden, tot de representatie van het Rossi-monument, zodat de representatie van de ruimte eigenlijk beperkt bleef tot de setting van het bouwwerk in de ruimte maar de ruimte zelf, die van het grote, lege plein waaraan al deze gebouwtjes lagen, was eigenlijk niet perspectivisch van aard. Eigenlijk had ieder gebouw zijn eigen perspectief, het grote centrale perspectief leek daarin te verbrokkelen, en de leegte van die stad, of van dat plein, leek ook te worden bewerkstelligd door dit zich terugtrekken van de perspectivische constructie uit de stedelijke ruimte. Een stedelijke ruimte die dus leeg was, niet alleen omdat er geen bestrating was en geen mensen waren getekend, maar ook en vooral omdat elke articulering ervan in de bouwwerken was gestopt. Er was bij wijze van spreken geen stedelijke continuïteit buiten de bouwwerken aanwezig. En dit dan gevoegd bij een vrij abstracte lijnvoering.
Eigenlijk was de representatie van het lege, stedelijke plein niet veel anders dan wat in de architectonische lijntekening, in de doorsneden en plattegronden, en vandaar ook gedeeltelijk in de aanzichten van bouwwerken, aanwezig blijft als wit papier, als fond tussen de lijnen door, als iets dat omdat het ontsnapt aan de patente code van de doorsnede eigenlijk niet door de tekenwijze zelf wordt bepaald en waarvan de diepte in het ongewisse blijft, juist omdat het alleen maar oppervlak is, papieroppervlak, en waarmee dan elke representatie van architectuur frontaal wordt. Het gebouw verschijnt in de doorsneden en geveltekeningen weliswaar in het kader van een ruimtelijk systeem maar dit ruimtelijke systeem is zelf niet getekend, niet weergegeven. Het is het geheim van het architectuurbeeld, van de architectuurgrafiek en vandaar ook de voorkeur van veel architecten voor het centraalperspectief, als ze al de ruimtelijke constructie van een perspectief willen gebruiken, om in zekere zin deze merkwaardige frontaliteit van de architectuur, het bouwwerk en zijn orde als 'koninklijk voorwerp', om Vitruvius en Aristoteles te parafraseren, in stand te houden ook waar om wat voor redenen dan ook een ruimtelijke constructie wordt gevergd in de tekening. Wat Cantàfora hieraan toevoegt, in zijn architectuurschilderijen, is als ik het goed zie een verschuiving, een latente of patente verschuiving van het beeldvlak over de doorsnede heen, alsof de geveltekeningen door een filmcamera worden bestreken, of het idee dat de bouwwerken, de architecturen, als coulisse over die doorsneden schuiven, waarmee merkwaardigerwijze ten opzichte van de essentieel standpuntloze – koninklijke - tekening van de doorsnede opeens wel een standpunt wordt ingenomen maar tegelijkertijd wordt aangegeven dat als je dit doet dit alleen maar een standpunt in beweging kan zijn, omdat de grafiek er verder, in zijn systeem, geen referenties voor bevat.
Vergelijk het met de mobiliteit van Rossi's architecturen. Er is echter een tweede aspect waarvan ik denk dat het van groot belang is in het werk van Cantàfora, in het kader van het architectuurbeeld, en dat is dat in die beweging de
contourlijn van deze bouwwerken aan dynamiek wint, meer ook een horizon, een horizontale leeslijn wordt, dat wil zeggen een richting krijgt die ze in de architectuurgrafische code niet uit zichzelf heeft omdat het bouwwerk op iedere plaats kan worden doorgesneden of aan-gezien, en de keuze van deze plaats meestal niet wordt beïnvloed door het karakter van het beoogde beeld, maar door andere factoren, en omdat er ook geen sprake is, daarin, van een continue ruimte, zodat de dynamiek van het resulterende beeld er dan volledig afhangt van het gerepresenteerde object zelf, en dat dan bovendien, als elk bouwwerk in de architectuur, nog vaak latent symmetrisch is. Het zal duidelijk zijn dat een beweging van standpunt, een verschuiving van de doorsnede tot naast het gebouw, of tot tussen de gebouwen in, en juist als de architect daarin dan niet bezwijkt voor de verleiding van een centraalperspectivische constructie in het midden van de tekening, dat dit dan iets af zal doen aan de latente symmetrie van ieder bouwwerk, of we zouden kunnen zeggen de tectoniek vervalt, het gebouw dreigt hierin uit elkaar te gaan vallen. Niet alleen dat de tekening een links en een rechts krijgt, en zo van technisch bouwdocument evolueert tot leesbaar en beschouwbaar beeld, maar ook en vooral vindt het hierin de oorsprong, of liever een oorsprong, van kleur. Zo indifferent of zelfs vijandig als de architectuurgrafische lijntekeningencode staat tegenover kleur, die er eigenlijk alleen maar kan verschijnen als inkleuring van vlakken, dus passief, en reactief, en het objectieve karakter ervan verheimelijkend, zoals in veel Beaux-Arts-tekeningen, zo different en patent is kleur aanwezig in het werk van Cantàfora. Hoe? Het zullen niet alleen de pigmenten in de waterverf of olieverf zijn omdat dit medium ook immers wordt gekozen - en niet alleen gevonden.
Het is misschien enigszins vergelijkbaar met de geschiedenis van het stadsgezicht, de vedute, in de schilderkunst, waar aanvankelijk de bouwwerken opdoemen als in een cartografische setting, gebouwtjes op een kaart, met een weinig narratieve horizon, meer als een uitgestrektheid, en kleur in beginsel overal even en in gelijke mate intensief is, en vandaar iets ingevulds houdt, in de Renaissance, en het is pas in de stadsgezichten van de barok dat het silhouet van betekenis wordt, tot leeslijn evolueert, tot scheidslijn ook, de kleur van de lucht verlicht, lichter maakt, tot bijna een niet-kleur of tot bijna wit, en de stad zelf, op een barokke, melancholische manier, verduistert, tot bijna zwart. Wat Cantàfora, vooral ook met zijn Berlijnse beelden, met hun wildere silhouetten - ik verwijs dan vooral naar het grote schilderij Di lode più degno e d'amore dat op het uitnodigingskaartje van deze tentoonstelling is afgebeeld, met zijn wel heel grillige contourlijn die met alle narratieve macht de laatste adem van een centraalperspectief in het midden ervan platslaat en ontledigt - wat hij hiermee bijdraagt aan de architectuurgrafiek is ik zou haast zeggen de techniek dat het duistere een even grote uitgestrektheid heeft, in het vlak van het beeld, als het onbeschreven maar in de tekening ook altijd onbepaald blijvende witte fond van de architectuurgrafiek - en dat dit afhangt van de krachtlijn van het silhouet waarin, in de stad, de schim van architectuur, het bouwwerk, voor ons opdoemt. Ik dank u voor uw aandacht.


Tags for this post:
aldo rossi
drawing

0 comment(s)
Blog posts   << Previous post | Next post >>