Blog posts   << Previous post | Next post >>

Post

Posted 11 Sep 1994

English

Joost Meuwissen, Sculpture City. Inleiding bij de gelijknamige tentoonstelling in Galerie Ram, 11 september 1994 in Rotterdam.

Inleiding

Joost Meuwissen

Dames en heren, Sculpture City, de naam van deze tentoonstelling, gaat niet over sculpturen in de city, het gaat niet over kunst in de openbare ruimte, niet over bouwkunst in de openbare ruimte, maar het gaat over openbare ruimte in de kunst, waarbij geen onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen kunst en bouwkunst; bouwkunst, het woord zegt het al, is ook kunst.
Het gaat over het medium kunst en niet over kunst in de media.
De manier waarop deze voorwerpen, deze virtuele werkelijkheid, zich verhouden tot de materiële werkelijkheid van de openbare ruimte in de stad is – het woord zegt het al – is in de materialiteit van die ruimte, is in een materiële bepaling ervan. Reeds in dit opzicht is de hoognodige verwezenlijking van deze werken al een gegeven – wat niet betekent dat ze niet zouden hoeven worden uitgevoerd. Integendeel, het beeld van het open volume naast het platte en dichte volume van Wim Quist aan de Oude Haven is overtuigend. Wim Quists gebouw, een dicht volume met een open vouw, vergt een aanvulling en dit beeld is hierin absoluut overtuigend; Quists dichte volume met open vouw vergt een aanvulling door een open volume met een dichte vouw. Hoe eerder de Rotterdammers dit uitvoeren, des te beter voor de stad.
Nu lijkt dichte vouw een vaag begrip te zijn; het is zeker geen metafoor en ik kom er nog op terug. Deze ruimte – de ruimte van de stad waar deze voorstellingen hun bestemming of liever gezegd hun bepaling vinden – deze ruimte bestaat niet uit ruimte want wat is dit eigenlijk: ruimte, wat is het anders dan een vaag begrip, een onduidelijke categorie, een metafoor van iets driedimensionaals dat het in bijna alle gevallen niet is; deze ruimte bestaat niet uit ruimte maar, zegt Kas Oosterhuis, uit lucht en deze lucht heeft een dichtheid, dat wil zeggen het is iets stoffelijks dat zich uitbreidt maar dat ook een zekere dichtheid heeft, een zekere mate van uitbreiding; deze lucht heeft bovendien een kwaliteit, wat iets is dat iedere Rotterdammer uit ervaring weet en tenslotte is er iets in die lucht en daar gaat deze tentoonstelling over, iets in die lucht dat zichzelf aanduidt, dat zichzelf aanwijst als aanwezig maar niet aanwezig in natuurlijke of naturalistische zin, niet gegeven met de landschappelijkheid van de stedelijke omgeving, niet gevonden in het stedelijk landschap – stedelijk landschap: op zijn beurt een uitentreure herhaalde metafoor die weinig oplevert en weinig zegt; dit voorwerp is niet aanwezig als een zwerfkei, niet als kunst in de openbare ruimte die in de beste gevallen lijkt op een zwerfkei, niet iets wat wordt aangetroffen, gevonden of over het hoofd gezien. Maar wat dan wel?
De openbare ruimte, alles wat we vroeger straat en plein noemden – en Oude Haven – en steeg – in een heel jargon van typologische bepalingen – als het groot was heette het plein, als het lang en dun was heette het straat – een jargon van discriminatie dat alleen al daarom politiek incorrect geworden is. Je zou de straten en pleinen anders moeten noemen.
Nu is er wel een overeenkomst tussen de situering van dit gebouwde volume aan de Oude Haven en de andere mogelijkheden die Kas en Ilonà in Rotterdam hebben onderzocht, namelijk aan de voet van de Nationale Nederlanden van Abe Bonnema, het Stationsplein, en aan de voet van professor Eikelenbooms Bouwcentrum. In alle drie gevallen ontstaat Sculpture City op een plaats waar de derde dimensie of liever gezegd de hoogte van de stad belangrijker is dan de breedte en lengte; ook hier, zou je kunnen zeggen, als een zijdelingse ontkenning van deze breedte en lengte, als ontkenning van een typologische bepaling van straat en plein. Je zou vervolgens willen weten hoe ze dit in New York of in Hong Kong zouden hebben gedaan.
Deze projecten bevatten in zekere zin ook een kritiek op de ruimte waar ze gesitueerd zijn, respectievelijk dat de grote materiële dichtheid van deze hoge gebouwen hoogte alleen als vlak of zelfs als lijn vastlegt, zoals in Quists diagonale vouw, zonder lengte en breedte in die overmaat opnieuw te bepalen en tot een grotere dichtheid in de driedimensionaliteit te komen – een grotere dichtheid van de lucht zogezegd.
Deze kritische kant vind ik nieuw in het werk, na bijvoorbeeld de Parijse projecten van eind jaren tachtig, gepubliceerd in The Open Volume, Wiederhall nummer 12. In het algemeen is dit natuurlijk een work in progress. Deze werken en deze tentoonstelling vormen een work in progress, vanaf de XYZ-serie van Kas en de Folded Volumes van Ilonà, begeleid door haar inmiddels historische woorden dat – ik parafraseer – niet langer houtskool en papier haar gereedschap vormden maar de muis van de computer. Gaat deze muis vooruit? Het antwoord is ja, het gaat vooruit.
Voor wie de tentoonstelling De Synthetische Dimensie in de Zonnehof in Amersfoort een paar jaar geleden gezien heeft en de resultaten van de Global Satellite workshop en de manifestaties op de Technische Universiteit in Delft, ziet onmiddellijk dat deze ruimtelijke schetsen, deze 'wolken' zoals ze heten, 'clouds', volslagen nieuw zijn. In alle vorige projecten – het geldt zowel voor de Folded Volumes als voor de Parijse projecten – was het volume nog deel van een wijdere driedimensionale ruimte; er was wel conceptueel een onderscheid aangebracht tussen de driedriemensionale virtuele werkelijkheid van de computer en de zogenaamd driedimensionale materiële werkelijkheid van de lucht in de stad maar in hun volumineusheid bleven de vormen in hun buigingen, curves en vouwen nog in zekere zin uitbreidbaar in die ruimte. Dat wil zeggen dat de curves, zoals bij Oscar Niemeyer of in de barok het geval was, een kromming of vouw vormden van een in beginsel oneindige lijn en dat de vouw of de inflexie, de ombuiging, weliswaar het midden van de lijn of het midden van het volume vormde, zoals bij deze 'clouds' ook nog het geval lijkt te zijn, maar tegelijkertijd nog door het lijn-zijn of het volume-zijn werden bepaald of beheerst. Zoals Quists vouw wordt beheerst door het vlakke volume dat zich vouwt. Het begrip Folded Volume gaf hier een letterlijke beschrijving van: het was het volume dat werd gevouwen.
In deze cloud-schetsen echter – en dat is nieuw, dat is volstrekt nieuw – er zijn in de wereld veel mensen met de computer bezig, maar deze vormen zijn in Boston of New York nog absoluut niet te zien geweest – in deze wolkenschetsen wordt het punt van ombuiging, in het merkwaardige midden dat ze alle gemeen hebben, bevrijd van datgene dat wordt gebogen of wat zichzelf vouwt. In deze schetsen, die een beweging zijn, wordt voor het eerst ook in de beweging afscheid genomen van wat wordt bewogen en wordt uiteindelijk en definitief en eigenlijk pas laat dus in dit work in progress, afscheid genomen van het papier.
Het punt van inflexie is geen punt meer van verschil, zoals in de Barok of in de Folded Volumes, maar een punt van terugkeer, een midden dat zegt dat elke beweging een tendentieel driedimensionale reikwijdte heeft maar alleen op grond van herhaling, op grond van beweging als herhaling, niet op grond van beweging als iets ruimtelijks. Tijd in plaats van ruimte.
Hiermee is de band tussen de driedimensionale virtuele werkelijkheid en de driedimensionale materiële werkelijkheid nu ook verbroken in vorm en hiertussen komen allerhande tweedimensionale tot driedimensionale tot tweeëneenhalfdimensionale tussenstappen. Zo is er voor het inwendige van deze sculpturen het dilemma of hun driedimensionale structuur star meetkundig moet zijn of mee moet buigen. Wat de inwendige rasters nu eigenlijk zijn
wordt een punt van verdere discussie.
Dames en heren, wat u hier ziet is nieuw, dat hebt u nooit eerder gezien; niemand heef het ooit eerder gezien. Deze tentoonstelling is volkomen nieuw en ik verklaar haar dan ook gaarne voor geopend.


Tags for this post:
oosterhuis kas

0 comment(s)
Blog posts   << Previous post | Next post >>